Biomassa en windturbines: Klimaatbeleid tussen abstractie en realiteit

Den Haag,  14 november 2022 | Politiek café | Speech Diederik Boomsma | Lid van het DND Curatorium

Dames en heren,

Nederland staat voor een enorme uitdaging. We willen een beter milieu.

En daarbij zijn er twee valkuilen: ten eerste, wat je zou kunnen noemen “de technocratische verleiding”, en ten tweede, de “populistische verleiding”. In beide gevallen wordt geen gedegen belangenafweging gemaakt, en wordt gezond verstand uitgeschakeld. De essentie van politiek is het afwegen van tegenstrijdige belangen, gericht op het algemeen belang. Populisten doen al snel alsof de belangenafweging niet bestaat, en er één simpele oplossing is. Technocraten doen alsof de belangenafweging niet kan worden gemaakt – “we hebben geen keuze” – omdat die al vastligt in modellen, wetgeving, verdragen en rechterlijke uitspraken. Beide aanpakken zijn verleidelijk – omdat je zo bestuurlijke verantwoordelijkheid ontloopt. Maar in beide gevallen kom je dus niet tot goed beleid. Qua milieubeleid worden nu ook heel veel slechte en onverstandige beslissingen genomen.

Bij stikstof is Nederland in een technocratische fuik gezwommen: hoe, daar zal Quinten Pluymaekers zo op ingaan. Zoals bij alles, spelen bij stikstof verschillende grote en tegenstrijdige belangen: het economisch belang van de agrarische sector, het belang van gezonde plattelandsgemeenschappen met bestaanszekerheid voor boeren, het belang van natuur en biodiversiteit en het belang van het zorgvuldig uitgeven van schaars belastinggeld. En natuurlijk zal elke partij die belangen anders wegen. Dat is politiek. Maar zelfs als je het belang van natuurbeheer veel meer gewicht toekent dan alle andere belangen – en als ecoloog en natuurliefhebber vind ik het beschermen van onze natuur ook cruciaal –, dan nog kom je volgens mij met geen mogelijkheid tot de huidige Kritische Depositie Waarden en het bijbehorende kaartje. Hier heeft die zorgvuldige afweging van belangen überhaupt niet plaatsgevonden. Nee, men heeft jaren geleden een hoge ambitie geformuleerd, maar nog zonder dat duidelijk was wat de gevolgen en de kosten zouden zijn, en hoe daar te komen zonder de grote maatschappelijke problemen waar we nu mee worden geconfronteerd.

Dit is het patroon dat opdoemt:

  • onder druk van radicale lobbygroepen en een bestuurlijke wens om daadkrachtig over te komen, worden stoere, abstracte ambities geformuleerd;
  • die ambities worden tot wetgeving gemaakt en verbonden aan internationale afspraken en mensenrechtenverdragen of EU-regels, waar rechters zich op kunnen beroepen;
  • dan komen de beroepsactivisten vaak met belastinggeld om een rechtszaak aan te spannen;
  • vervolgens zegt de rechter: “Tja, als je de A(mbitie) formuleert, dan moet je ook B-zeggen”;
  • tenslotte wordt één deelbelang absoluut gemaakt, met grote gevolgen.

Maar een rechter kán helemaal geen belangenafweging maken. Een rechter kan niet zeggen: 25 miljard moet niet naar de zorg of het onderwijs of een groter leger, want dit weegt zwaarder. Dat is aan de politiek – en aan de kiezers om politici te beoordelen op die afwegingen. Maar vervolgens zegt de politiek: “Mensen, we zien het probleem, maar wij kunnen niet anders”.

Ditzelfde zien we op tal van andere dossiers. Eigenlijk is stikstof op zichzelf geen crisis, en moeten we inflatie van het woord voorkomen, maar er komen zo nog tig andere crises aan. Want er zijn op milieugebied veel enorme ambities geformuleerd, waarvan de consequenties en keuzes en kosten gigantisch zijn, maar onduidelijk en niet goed afgewogen. Wat nu dreigt, is dat de overheid steeds dieper in allerlei technocratische fuiken zwemt, en steeds verder gaat in het afdwingen van maatregelen, maar de echte politieke keuzes steeds meer uit beeld raken. En dus ook de belangenafweging. Politiek beleid dreigt steeds verder te juridiseren. Maar dan brokkelen democratie en draagvlak af. En krijg je ook geen goede resultaten.

Dat brengt ons tot klimaatbeleid. Ook hier zijn natuurlijk ingrijpende ambities geformuleerd, via het verdrag van Parijs en in de Klimaatwet: in 2030 moeten we 55 procent minder broeikasgas uitstoten dan in 1990, maar onze regering wil 60 procent, en in 2050 klimaatneutraal. Daartoe zijn nu nog 44 “wetgevingsproducten” in voorbereiding, waarvan vier algemene wetgevingsproducten en veertig wetten gekoppeld aan één van de vijf sectoren. Maar: met alles wat nu is ingezet, gaan we dat lang niet halen.

Misschien zijn er mensen die denken: in dit geval is deze technocratische top-down aanpak de enige manier om te doen wat nodig is. Voor iets anders is geen tijd. In een recent interview van Karel Smouter in de NRC wordt dat eigenlijk bevestigd en toegegeven. Hij citeert een hoogleraar en expert over de geschiedenis van de democratie die zegt: „Het is een beetje een scandaleus idee van mij, maar verkiezingen worden steeds minder belangrijk. Maar tegelijkertijd democratiseert de democratie, want de demos bestaat niet meer alleen uit mensen”. In mijn ogen een tamelijk bizarre uitspraak. Omdat we nu internationale en non-gouvernementele organisaties hebben die voor de belangen van bomen en dieren opkomen, zijn verkiezingen niet meer zo nodig. Maar non-gouvernementele organisaties staan vaak voor deelbelangen, en niet voor het algemeen belang. Zij hebben natuurlijk een belangrijke rol. Maar niet als vervanger van de politieke afwegingen. Zonder de steun en het draagvlak loopt alles alleen maar vast.

Je hebt natuurlijk mensen die beweren dat CO2 überhaupt geen invloed heeft op het klimaat. Dan ontloop je de opgave. Je hebt ook mensen die betogen dat we beter kunnen inzetten op klimaat-adaptatie, dan op het proberen te voorkomen of beperken van klimaatverandering. Dat het veel effectiever is om ons schaarse geld in te zetten op het mitigeren van de gevolgen. Dat armere landen nog steeds zijn aangewezen op goedkope fossiele energie om uit de armoede te komen en de kans dat landen als China en India hun CO2 uitstoot gaan beperken klein is.  Al die vragen zijn een gedegen discussie waard. Maar daar wilde ik nu niet op ingaan. Maar zelfs als we als uitgangspunt nemen dat we nu in zeer rap tempo de CO2-uitstoot moeten verminderen, is nog de vraag hoe je dat het beste aanpakt. En ook binnen dat kader zijn we alweer in nieuwe technocratische fuiken gezwommen. Met als gevolg: verkeerd beleid. In plaats van zinnige en betaalbare opties om CO2-uitstoot te reduceren, bouwen we ook – als u mij toestaat – “bomencrematoria en vogelversnipperaars” – oftewel biomassacentrales en windturbines op land.

Ten eerste, biomassa. Biomassa kan van alles zijn: bomen, snoeihout, agrarische restproducten, plantenproducten die niet fossiel zijn. Om aan de hoge ambities voor duurzame energieproductie te voldoen, is tien jaar geleden besloten om biomassa voor de wetgeving aan te merken als CO2-neutrale energievoorziening. Dat was in 2013 bij de onderhandelingen van bedrijven, overheid en organisaties als Greenpeace over het Energie-akkoord. Het verhaal was: als snoeihout of andere reststromen bijvoorbeeld worden verbrand om warmte en elektriciteit op te wekken, groeit dat vervolgens weer aan en wordt de uitgestoten CO2 opnieuw uit de lucht gehaald. En dus is er een programma opgezet om de bouw van biomassacentrales met miljarden te stimuleren via de SDE+-subsidies.

Inmiddels zijn er tientallen biomassacentrales neergezet in heel Nederland. In Amsterdam is daar ook over besloten. In 2018 kon de Gemeenteraad Amsterdam wensen en bedenkingen uiten bij de investering in een biomassacentrale. Daarbij werd toen door het College gezegd: “Wij zorgen wel voor echt duurzame biomassa, want het is contractueel vastgelegd dat het om snoeiafval moet gaan uit een straal van 150 km. Dus alleen restproducten en niets wat leidt tot ecologische schade. En geen import van biomassa van elders, waarbij we niet goed weten wat de effecten zijn”. Wij hebben de wethouder toen gevraagd: “Is dat dan een harde afspraak?”. Het College reageerde zelfs verontwaardigd: “Ja natuurlijk. Dat is dan afgesproken. Het is een contract. Wat wilt u nu?”. Met andere woorden: “Doe eens niet zo wantrouwig”. De vraag is natuurlijk: hoe verhoudt het totale aanbod van ‘goede biomassa’ – echte restproducten die anders niet worden gebruikt of alsnog hun CO2 uitstoten – zich tot de vraag die is ontstaan door de vele centrales die zijn gebouwd? Maar dat wist men niet. Nu blijkt: die vraag is veel hoger geworden.

Er is inderdaad niet genoeg snoeiafval in de omgeving. Die afspraak was een lege huls. Nu moet dure, in Spanje gewonnen biomassa worden geïmporteerd om de ovens te laten draaien, teneinde te voorkomen dat mensen in de kou komen te zitten.

Inmiddels is steeds meer kritiek gekomen op biomassa en hebben verschillende onafhankelijke onderzoeken bevestigd: heel veel houtpallets die nu in Nederlandse centrales worden verbrand, worden geïmporteerd uit bijvoorbeeld Baltische natuurgebieden, Canada en de Verenigde Staten. Dat heeft wel degelijk het omhakken van bossen tot gevolg met ecologische schade.

Bovendien is duidelijk dat de uitstoot van biomassa juist leidt tot een hogere CO2-uitstoot dan het verbranden van gas, en zelfs steenkool. En aan het argument dat het toch weer wordt gebonden als nieuwe bomen groeien, hebben we weinig omdat het decennia duurt. En de opdracht is juist urgent. Dus wat we hebben gedaan is: miljarden geïnvesteerd in biomassa, ten koste van bossen, met ecologische schade tot gevolg, terwijl het ook leidt tot méér CO2-uitstoot en overigens ook nog meer luchtvervuiling. Maar op papier waren het geweldige belangrijke stappen om aan de klimaatambities te voldoen. En wel wordt op allerlei plekken veel geld verdiend via de subsidies. Inmiddels wordt wel bijgestuurd – de regering heeft eindelijk aangekondigd geen nieuwe subsidies meer te verstrekken –, maar een groot deel van de schade is al geleden en de al toegezegde miljarden lopen nog steeds door.

Dan nog snel het tweede voorbeeld: windturbines. Wat schitterend: Nederland, beroemd om de windmolens, kan de kracht van de wind nu aanwenden om elektriciteit op te wekken. Maar alleen als er een verstandige belangenafweging wordt gemaakt. En ook hier bevindt zich een technocratische fuik waar we in zijn gezwommen.

Onderdeel van het Klimaatakkoord van 2019 was dat dertig energieregio’s zich committeren aan het opwekken van duurzame elektriciteit op land: wind- en zonne-energie. Amsterdam is een belangrijk onderdeel van de Regionale Energiestrategie Noord-Holland Zuid. Deze elektriciteit wordt enerzijds opgewekt op zee (doel: 49 TWh) waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, en anderzijds op land (doel: 35 TWh). Dit laatste valt onder de verantwoordelijkheid van de energieregio’s. Als onderdeel van de RES Noord-Holland Zuid heeft de Gemeenteraad van Amsterdam de ambitie vastgesteld van tenminste 50 MW extra windenergie (circa 17 nieuwe windmolens). Maar daarbij is nadrukkelijk geen sprake van een goede belangenafweging. Amsterdam is een oude, dichtbevolkte stad in een dichtbevolkt land, met nu al zeer grote ruimtelijke uitdagingen. De gedachte dat een stad of regio als Amsterdam zelfvoorzienend zou moeten zijn in energie, is natuurlijk volkomen absurd. Amsterdam is ook niet zelfvoorzienend in aardappels. Dan wordt gesteld: iedereen moet zijn steentje bijdragen. Maar dat is geen vrijbrief voor irrationele en ineffectieve maatregelen. Zo wordt elk redelijk argument weggewuifd met “Het is al besloten aan de klimaattafels!”. Als wordt gekozen voor windturbines, kunnen die veel beter op zee worden geplaatst. Het is nog wel begrijpelijk dat aanvankelijk werd gekozen voor windturbines op land. Jaren geleden was dat aanzienlijk goedkoper. Maar inmiddels is de technologie verder. Op zee waait het harder en vaker. De turbines hebben meer “vollast-uren”. Je genereert daar meer elektriciteit en bespaart meer CO2-uitstoot voor lagere kosten. In de gemeente Amsterdam komen windturbines te dicht op woningen, wat leidt tot veel overlast en daling van de woningwaarde. Het vervreemdt mensen van het historische landschap waarin ze zich thuis voelen. Op zee is bovendien wel degelijk ruimte en kan tegelijk ruimte blijven behouden voor visserij en andere belangen. Het is niet nodig om extra windturbines op land te plaatsen om aan de doelstellingen te voldoen. Symboolpolitiek lijkt de enige reden om die windturbines koste wat kost in de gemeente te willen plaatsen, om zichtbaar te maken “dat we iets doen”. Een vreemde, bijna masochistische inzet: “als het geen pijn doet, heeft het geen morele waarde”, of zoiets. Zo kom je niet tot verstandig beleid.

En overigens, want ik moet afronden, moeten we zo snel mogelijk verder met de bouw van kerncentrales. Een nieuwe kerncentrale van het type zoals dat nu wordt gebouwd, bijvoorbeeld in Korea, levert 19 keer zoveel duurzame elektriciteit, maar is veel stabieler dan alle zonnepanelen en windturbines van deze RES Noord-Holland Zuid bij elkaar én onafhankelijk van het weer.


Bijdrage uitgesproken door Diederik Boomsma op het politiek café van De Nieuwe Denktank op 14 november jl. 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *